DEN BLAAUWEN AUTOBUSCH

Gelijk een melkpak kan hij gaan,
al zijn wij er dan ook ongewoon
aan
hem te zien zo levensgroot - in
schroot.

'Den Oudsten Daf' hangt om hem heen
vuilwit, gestreept oranje-blauw erover
heen;
van jaren her verstreken - een laatste
levensteken.

De banden zijn - zowaar - poreus;
corrosie ligt hem nader
dan het glanzen, dan de trots.

De inhoud: een verzuurde reus;
diens baard over de datum
van het dansen, van het klotsen.

Gegroefd gelaat, gegriefd in daad
post hij voor het bureau
waarin men ernst eerst overlaadt,
maar werkt aan 'bon-cadeau'

De bus zint nu en zindert dan
op wraak en hoog gebod;
de plank gaat diep, hij ramt het hek
huilt heel het overschot

aan melk,
over bewust-blauwe belastingmoot.


M.J.C.A. 12-01-2004