NOG MAAR EENS NESCIO?


Vanmorgen las ik ergens (op mijn
toiletscheurkalender, nota bene)
dat Gröhnloh de Grote – “De
rivier is altijd naar het Westen
blijven stromen en de menschen
zijn blijven voorttobben.” – hier
nog geen honderd meter vandaan
begraven ligt.

Ik was onmiddellijk voornemens
mij als teksttoerist naar het rand-
gebied te begeven.

In de wandelgang vroeg ik een
buurtgenoot: “Weet jij misschien
waar ik hem zoeken moet, de Ti-
taan van de Nieuwe Ooster?”

“Wie?” Hij kende ‘m niet.

Vanmiddag besloot ik (na het
parlepiekmoment, met uw zegen)
de Tradesman van Tames – “En
zo gaat alles zijn gangetje, en wee
hem die vraagt: Waarom?” – daar
in ‘t groen en in luister eens echt
op te zoeken.

Als een wezen van leed op het
veld van de jacht deed ik eeuwig
het einde vergeten.

De hazelnootijsvrouw, alleen aan
de balie, zei: “Had jij gehoord dat
de loopbrug naar IJburg de naam
van de vennoot gaat dragen?”

“Nee...” Dat wist ik nog niet.

Maar ze mocht het me best wijzend
vragen.

[Uiteindelijk bleek mijn camera me
op het moment suprême uit de zon,
maar in de steek te laten.]

M.J.C.A. 26-07-2005