LEDIGGANGSTER LEDA


In weinig woorden:

Ana Larsson onder donsdekbed;
onder overtrek van vogels. Krasse
klauwen krabben haar bandeloze
stem; zij schraapt haar keel...

Bruggen overspannen ’t uitgebrande,
dam tot dam geslagen stadsgezicht.

Valt en vangt: zij gestoken snipper-
dagen hakselend voorbij.

Is het nog niet zonneklaar?

Loraz Öhrviz in ’t diepe, ’t rood;
in ’n vermiljoen van lippen. Dienstbaar
diept ze – dist ze – haar huigelijke
feut; zij oppert, eert...

Tuigen oversteken ’t vliegend landen,
lucht tot lucht geslagen vaartgewricht.

Klapt en wiekt: zij geknobbeld vlinder-
slagen spartelend langszij.

Por het vuur op, pomp Vulcanus,
vul de lucht op, hittebron.

“Stijgen,” zegt hij “door de beugel!”
“Sterven,” weet zij “zie mijn ogen;
lede luiken in chiffon!”

Al weer twaalf jaar lang, lang haar.

M.J.C.A. 02-11-2005