JOGGERS IN ART NOUVEAU

Lezen op een gespreid bedje
Met een rotsvast geloof van wat fout is of goed
Weten om te weten en leren om te leren
Te vergeten wat je kan
Om te weten hoe het moet

En terwijl zij licht te ronken
In de mist van lange nacht
Zag ik in het ochtendlicht vooral, die blakerbal
Op mijn zilvervlies beticht

Ik leg mijn zweethand op haar slaap
En ik voel de kalme gang
Van morgenrust en stil genot
Genoegens van die vrouw

Ik kwam in 't veld en speelde hard
Tegen hardverweerde stronken
En in 't café (waar ik graag kom)
Zag ik de veders lonken
Japon, zo wijd; een kousenband
En drinkend van mijn cola-light
Werd ik vanmorgen dronken

In mijn kletsnat kleed en met stramme spier
Zocht ik naar het 'waarom?'
Waarom ik zon wil zien zo vroeg
De sponde draai tot draf

Ik pak een bandje van de plank
Ik sla het ergens open
En daar, juist daar, ligt zij als nu
De Mucha van de zomer

Met in een hoek een manspersoon
De druppels in zijn ogen
Zijn vast ook van het sloven
Of weent hij van de tover?

 

M.J.C.A. 03-06-'03