IMPERIUM

Een komen en gaan
Van dorpse kikkertjes
Van krolse katertjes
En een vorst die dagelijks
Voet bij stuk zou houden

Hij wierp halve driehoeken
Op de dakenruggen
Was niet erg vlug in de rondgang
Was niet erg vlot in de omgang
Was ingebonden, maar had nog geen glanzende
Rug

Maar verbrand in verband met ovenpannen
Hield hij van, maar werd zuinigaan overspannen
Dat hij ze niet kietelen dorst

Daarvoor heet je dan ook Vorst!

Een lopen en staan
Van 'beobachter', boers
Van geile vazallen
En een dorst die zijn heerszucht
In toom zou houden

Hij wierp steelse blikken op vrouwenbillen
Op de spijkerbroeken
Ging niet al te zeer met zijn tijd mee
Ging niet al te zeer op in de tijdgeest
Ging gekreukeld, maar had nog geen ezels-
Oor

Maar volleerd in de leer van de aristocraten
Gaf hij om, maar hij kon het ook intens haten
Als hij eens voor een dag werd geschorst

Want hij was immers een vorst!

En damesborsten en damesbillen
Daarvoor zou men hem toch wel echt niet gaan villen
En lichtinvallen en schaduwzijden
Daarvoor zou men hem toch echt niet gaan mijden

Want het was zijn rijk
En zij waren zijn meiden
Zij waren zijn meiden
Het was zijn dorp
Met de gifgroene, vochtige weide

En daar trad hij wel eens op
(Nou en!)

 

M.J.C.A. 08-04-'03