IJL DE MAAN

Vier volle weken slaap te gaan:
vol de maan verholen achter
grafkapel; een schimmenspel
van voorboden en glimpsen.

Doorsneden door een torenrots
vergroot de koele kolk van daar
de angstaanjagend trotse schouw
van toornverwachting uit.

Een schouwend spel van siddering
speelt, boom-omzoomd, verheven
door armen die de stronken zijn,
of takken die verwijzen.

Gelijk het licht de mens doorsnijdt;
gekromde ledematen die de holte
vrijer laten en zo - ongewild - de
schaduw doen doorbreken.

Een houten poort holt het gewelf
en kraakt verbolgen het scharnier
waarin zij hangt - verankerd is - nu
rustend roest versplintert.

Dit onheil in onwaakzaam uur
vervreemdt de nacht zoverre
van een vast-omlijnd patroon, dat
hij versmelt tot modderwolk.

Waarvan de randen lichtend zijn;
een voorbeeld voor de overmoed
die hard en knokig, onbesuisd,
in doodse holen wroet.

De laatste rest standvastigheid
krimpt met Theater Mimicry -
eerst theatraal krampachtig - in
tot verdichting en ontbinding.

Onthechting en een laatste hand
die wormen zal doen woelen
door het meest rotsvast geloof
aan zelfbeschikking.

Vier halve weken slaap te gaan:
hol de maan, verdonkerd dankzij
zontekort; waar het aan schort
is ruimschoots niet voorradig.

Dan is men pas verzadigd, wanneer
nachtrust is gewaarborgd en tekorten
zich niet stapelen, daar ze verder
hoornen dollen...

Hoornen dollen in het bos.
Men kan immers niet weten of men
nu wel wakker is, of dat het innerlijke
licht wast van de maan.

M.J.C.A. 19-02-2004