HET TROTSE BLONDE BEEST


Das Leben Jesu – mij bevreemd en
dikwijls in de maag gesplitst – heeft
mij voor al, voor niets, voor eens ‘n
beeld geschetst dat ledig is en hoof-
dig overspelig speelt met schuld of
of schand’ (verbintenis). Ik vlek ver-
band, maar bind niet in: verstande-
lijke erfenis.

Het blonde beest in woord en daad
laat onverlet de lage daad, laat doen
en laten onverdeeld; alsof de duivel
ermee speelt ontfutselt hij aan Faust
een graad. Hier boogt hij op en vist
ernaar te schijnen op het strijdtoneel:
hij schittert er graag gradueel.

Wie schiet deelt in de schijven; wie
treft mag zeker zijn een mogendheid
te blijven – autoriteits van lijn…

Doeltreffend doorgetroken, er over
tijd te gaan; men kan wel onver-
schrokken op een zijspoor blijven
staan. Hij heeft ervoor gekozen –
met zijn manen in de wind – de
overgang te laten aan kameel, aan
leeuw, aan kind.

[Het balken van het blonde beest, dat
steunt op stem – pilaarverklaring –
heiligt de maat en hijst het hemd om-
hoog gelezen, las, of leest; verheffing
van de volvocalen, vereffening van
minst of meest. Zo machtig om zich
heen te klauwen, zo daar te staan om-
kranst door stem dat hij – gelijk een
opperwezen – zijn stralen uitzendt,
-scheidt: hij schermt.]

Archaïsch gif – mij van doordrongen,
echter niet éénmaal makelij – mag dag-
licht niet verdragend –heffen: hovaar-
dige hofartsenij. Het kleeft me aan in
zeker zinnen (zinspelend op razernij).
Rijm ik ook ongelikt als beren, bloed
ik er volgroeperend bij.

Het blonde beest in nood en kraker
zwiept te kust zijn stalen staart, staat
keurend toe dat men bedeelt; alsof het
schuimlicht stiekem steelt, schoont hij
op zicht van ‘wat is waard?’ ‘t Oordeel
dat hij voorts verbindt aan kort tevoren
‘n teveel, labelt hij nu ‘sterk, substantieel’.

Wie bruist bedenkt balletten; wie betert
blijkt verfijnd. Een batterij te wezen –
geladen, maar omlijnd...

Vermanend half verduisterd, in kaats
en bal pas pluis; men kan wel onbe-
wegelijk, -vermurwbaar staan als
huis. Hij slechts de groep verlaten –
spert zijn tanden stenig wit – om zijn
tegenstander, snaaks, snel te verschal-
ken (kunst... zo 'n bit!)

Doeltreffend doorgetroken, er over
tijd te gaan; men kan wel onver-
schrokken op een zijspoor blijven
staan. Hij heeft ervoor gekozen –
met zijn manen in de wind – de
overgang te laten aan kameel, aan
leeuw, dan kind.


M.J.C.A. 19-09-2005