GRATIFICATIE (Pastiche #9)

Heeft het ons ooit aan bevlogenheid ontbroken, dan toch
zeker niet zo en daar, omheen het hooggestrekte vleugel-
deel, die heerseres naar ring en kroon gestoken: wij hebben
nooit gelogen, wie ons loochent wenst te straffen. De maat
is bijna vol, vind je het goed dat ik haar pak?

Op een dolgedraaide dag heb ik een boom voor jou
geplant en ik hakte in op Pan, Demon Guirlande...

Wij staan te trappelen van ongeduld; onze blote voeten
vertreden de blonde strohalmen.

Zijn wij ooit aan een afstraffing ontkomen, dan voorzeker
devoot en daar, vandaan het destillaat in wenk gebrouwen,
dat oog verblindend onder zon voorkomen: wij hebben
overwogen koren wegende te kaffen. De dienst
is reeds gedaan, dunkt het jou goed dat ik die neem?

Onder een hemelcarrousel heb ik voor jou mijn baan
verlaten; ondoordacht en zonder plan, oh ma Irlande...

Wij staan te springen om hanenkraai; onze bronzen poten
verpulveren prangende vragen.

Sling’ren wij been en bijbehoren over stijl en analyse,
lijkt het net of paarsgewijs de vormen vrijend definiëren;
sporen wij toer en toebehoren aan tot tweederangs pastiche,
moet deze niet ook nog in zogeheten mimicry verkeren.

Het werk zit er weer op, acht jij het hoog dat ik hervat?

Der vissen kuiten die de modderkluiten onderling verdelen,
waren er als eerste bij toen onze wandelweg begon;
de croupiers van kouder kerken die nog voor de massa’s
speelden, liggen her en der te baden in de aura van hun zon.



M.J.C.A. 30-03-2005