DE BEGUNSTIGER (Gedachten bij Egon Schiele)

Hoe moeilijk men het kan maken: juist die persoon
de meest onmenselijke kant laten zien, die in wezen
het wezenlijkst verlangde object daar stelt. Zonder
bijgedachte ongenuanceerd durven te zijn, omdat
men dikwijls elkaar aanspoort tot onmatiger ver-
spillen dan dat noodgedwongen nog wel en vooraf
reeds was voorzien.

“De kunstenaar hinderen is een misdaad; het is
moord op ontkiemend leven.”

Hoe eerlijk men het wil hebben: net bij degene die
men vooral voor al de vlammen hoopt te sparen,
spelt men in sintels of in as wat of verteert. Met ge-
ne bijverdiensten geproportioneerd durven zijn,
daar men toch goedschiks elkaars klankbord, maar
ook kwaadschiks elkaars splinters in de spiegelspre-
ker kent... misschien.

“Hoewel ik me zelden werkelijk uitgesproken heb,
deed ik dat in ‘t zeer spaarzame geval gecondenseerd.”

Twee lichamen die uit lijfsbehoud aanvankelijk alleen
aanvangen samen te zijn; die individueel de videokunst
verstaan op spierkracht en geconcentreerd aandacht
schenken aan de scheppende daad gehoor te geven,
om tenslotte verenigd te zijn in wand en teken: ruimte
en tijd voor het reddeloze, rede-leeggezogen reven.

‘Wenn’ de eerst nog erg nerveuze veeg verwordt tot
smerend lijnen, speelt de hoofdgedachte mee met meer
aan inhoud... of aan vulling die genadeloos verwart.

‘Wieso’ nog een man van smart zijn, of waarom een
vrouw van zede, als men zienderogen opgaat in één
schets van het verleden?

‘Weshalb’ meesters imiteren, of waarom als ziener
wenen, wanneer ’n visionair verhandelt van de sta-
peling van stenen?

Perspectivisch verkort (daar is mee gezegd...)

Men hoeft geen metselaar te wezen om gebouw en
goed bewegen, consequent en dus gedegen, van de
blauwdruk af te lezen.

Komt de begunstiger nog best, dan onverwacht;
maar daarentegen onbewust, dan ongelegen.


M.J.C.A. 31-03-2005