APOLLO 11 (21 juli 1969)


Men heeft mij verhaald van de dag
waarop de eerste mens voet zette
op de maan; dat dat een heel exclu-
sieve ervaring was – iets dat het be-
vattingsvermogen te boven ging, en
tegelijkertijd bijdroeg aan ’n gevoel
van zelfverrijking... als mens, als fi-
naal doel (de mens in het bezit van
‘n magnatisch magnetisme, hetwelk
vaak trekt naar ‘n prima ‘prima cau-
sa'). Een veelvoorkomend verschijn-
sel, overigens, dat in rudimentaire
vorm nog dikwijls de kop opsteekt
bij – laat ik maar een zijstraat noe-
men – even finale sportwedstrijden.

Ondanks dat was ‘t een indrukwek-
kend schouwspel.

Men vertelde erbij dat men zich be-
wust was dat de mens hier geschie-
denis schreef en dat men het zeer
bijzonder vond dat meegemaakt te
hebben; een verklaring die mijns in-
ziens iets te vaak afgelegd wordt bij
zogenaamd ‘gebeurtenissen van hys-
terisch-historische waarde’. Boven-
dien, waar heeft men het over: men
werd zich eerst die schreden van de
man in thermopak, zittend op ’n luie
bank, vanaf een kamerscherm gewaar.
Zeer onzuiver, weliswaar, maar er was
koffie en gebak: alle feestfaciliteiten op-
gehoopt onder één dak – begin en tijden.

Dat gold vanzelfsprekend niet voor vlucht
en leiding.

Om mezelf niet mooier voor te doen
dan naar het zich laat horen, zou ik
hierbij willen wensen dat ik eerder was
geboren. Had ik zeven jaren eerder ac-
te de précense gegeven, hield ik nu met
de herauten heraldieke kost in leven.

Voor geen goud had ik die beelden willen
missen.

M.J.C.A. 21-07-2005