DANKZIJ DE WORTELS VAN HET WOORD

Onthoud dat je, zolang men je prijst,
nog niet je eigen pad volgt, maar…
dat van een ander!

F. Nietzsche, Vermischte Meinungen und Sprüche.


Elke vorm van journalistiek zou… Een open zin die smeekt om het geven van een persoonlijke mening; die als het ware hunkert naar een bevredigende – en als dat ook maar mogelijk zou kunnen zijn – sluitende, persoonlijke verklaring van dat waar de niet altijd even nederige dienaren der diverse media zich mee bezig zouden moeten houden. Maar is mijn opzet in eerste instantie niet het schrijven van een degelijk onderbouwd essay? Een verhandeling lijkt het niet te verdragen ondergeschikt gemaakt te worden aan de persoonlijke smaak van een auteur, tenzij hij deze uiterst genuanceerd en met de subtielste penseelstreken in verfijnde kleurschakeringen weet aan te brengen. Het ontbreekt er nog maar aan dat deze gewaagde voorzet gevolgd wordt door een dwingend en dreigend ‘moeten’. Immers, indien ook maar zou uitlekken dat de journalistiek naar nauwkeurig afgebakende beroepsvoorschriften handelt, dan zouden de grafdelvers van het grote woord terstond hun koffiepauze onderbreken en met een welhaast kinderlijk enthousiasme hun spaden zilverglimmend poetsen, teneinde de carnaval(s)kuilen uit te diepen waarin een dergelijke onbezielde journalistiek – onder hoongelach van de door oppervlakkigheid en overvloedigheid dronken feestgangers – uiteindelijk ten grave wordt gedragen.

Laten we hierin eerlijk zijn: een standaard maaltijd (al-dan-wel-niet gekruid naar de voorkeur van de consument) zal de verwachtingsvolle nieuwsgastronoom niet behagen. Of in andere woorden: journalistiek bedrijven vanuit het oogpunt de lezer dan wel kijker te behagen, heeft veel weg van een gotspe en het zou de diepgravende wortels - die de oorsprong en het kloppend hart van de heden ten dage nog immer vol enthousiasme beoefende professie zijn – treurig stemmen te zien wat er uit die jonge loot van welleer ontsproten is. Een woudreus waaraan honderden twijgen (sommigen verweerd en stram, anderen pril en energiek) als zelfgenoegzame pijlen wijzen naar bepaalde doelgroepen die zich in een hier-en-daar onderbroken kring rond en onder de gigant verschanst hebben; hierbij een wisselwerking aangaand met dit publiek, want met hun zijtakjes fungeren de schetspotloden van het gemanipuleerde wereldbeeld tevens als antenne: de logge, antieke exemplaren uit de tijden der verzuiling enkel en alleen om de genoegzame instemming van hun cliëntèle op te vangen; de frisse, op alle winden meewaaiende twijgjes (voorzien van de modernste technische snufjes) daarentegen telkens maar weer op zoek naar de nieuwste trends waar het gaat om het bereiken van het zich oriënterende (vaak iets jeugdigere en commercieel aantrekkelijkere publiek).

Het valt niet te ontkennen dat hier in een behoefte wordt voorzien.Maar is er in dergelijke gevallen nog sprake van een journalistiek product? Nee, hier geldt de wet van de markt; hier heerst het principe (letterlijk genomen wel zeer toepasselijk) van vraag en aanbod. Wat de lezer wil is wat de lezer krijgt en zolang deze krijgt wat hij of zij verlangt, is er geen vuiltje aan de lucht. Toch, juist het ontbreken van dit vuiltje zorgt voor een grote luchtledigheid, dewelke weer leidt tot enorme vervlakking en verarming van de voorgeschotelde informatie. In de meest schrijnende gevallen levert het zelfs dermate non-nieuws op, dat de kijker of lezer het onbehaaglijke gevoel bekruipt dat er die dag niets bijzonders gebeurd is en het krantenpapier of de zendtijd dientengevolge maar met pulp gevuld moest worden. Enkele willekeurige voorbeelden kunnen dit gezichtspunt wellicht enigszins verduidelijken: “Senioren krijgen rollatorles en zijn daar zeer mee in hun nopjes”; “Toch zwelklei aangetroffen in Groningen”; “Oudste pony van Nederland overleden”. Stuk voor stuk nieuwtjes die het niet verder hadden mogen brengen dan de burelen van de regionale redactie en het nooit-of-te-nimmer tot journaal- of voorpaginanieuws hadden mogen schoppen. En toch is dit slechts een kleine greep uit de onderwerpen(de tragische lotgevallen van Rebecca Loos in het Boze Beckhambos buiten beschouwing latend) waarmee de serieuze journalistiek wordt opgeleukt: triviale weetjes waar het gros van de Nederlanders van smult en die beter beklijven dan ernstigste gebeurtenissen met verstrekkender gevolgen. Niet dat berichten van dusdanige aard niet naar buiten mogen worden gebracht, maar om ze louter te benutten voor het opkrikken van de oplage-, kijk-, of luistercijfers is en blijft een laakbaar zwaktebod. Het collectief bewustzijn zal er immers, via de daartoe geëigende wegen (obscuurdere rubrieken in media van een ander allooi) toch wel door ‘verrijkt’ worden. Wellicht ten overvloede, maar de noodzaak tot behagen behoort tot het terrein van de entertainmentbusiness; de nieuwsbulletins horen te informeren.

Het moet de reporters die ook maar enigszins behept zijn met (al was het maar een licht) gevoel voor engagement en/of een zelfopgelegde vorm van beroepsethiek – diegenen waarnaar eerder verwezen werd als de standvastige, diepgravende wortels in de vruchtbare grond onder de journalistieke boom - een doorn in het speurende oog zijn dat er door de media in zoverre tegemoet wordt gekomen aan mensen die het echte nieuws ter kennisgeving aannemen, maar in werkelijkheid geïnteresseerder zijn in banale bijzaken of in informatie waarbij men persoonlijk belang heeft. Vermoedelijk moeten de oorzaken van de – tot op heden nog redelijk beperkte – teloorgang der uitoefening van het (terecht) hooggewaardeerde métier hierin gezocht worden, dat het gemis van de schaapjes – een niet te verwaarlozen groep met als enig doel mee te kunnen blaten en grazen met de rest van de kudde – leidt tot dramatisch dalende kijk- of oplagecijfers, tot een inkomstenderving die gigantische proporties zou kunnen aannemen, of in het allerergste geval het programma, dag- of weekblad in hun voortbestaan zou kunnen bedreigen. Het debat over de functie van de publieke omroepen binnen het huidige televisiebestel heeft de zaak niet vereenvoudigd. Daarnaast heeft het er lange tijd op geleken dat kranten en/of tijdschriften die een te eigengereide koers voeren, uiteindelijk – met papieren bootje en al – kopje onder hadden moeten gaan. Dit laatste heeft men via ingenieuze wegen veelal weten te voorkomen, al is dat niet zelden gepaard gegaan met het doen van de door gewetensvollen zo grondig verfoeide concessies.

Om uiteindelijk toch bij het begin te eindigen: de journalistiek hoeft in principe helemaal niets; heeft geen voorgeschreven starre richtlijnen en verplichtingen. Daarentegen hebben we kunnen constateren dat de nieuwsvoorziening niet slechts kan drijven op ideële grondslagen (dit zou alleen mogelijk zijn wanneer de staat de volledige controle over de media in handen zou hebben, wat in geen geval is toe te juichen); dat de voortschrijdende vercommercialisering en tijdsgeest van grote invloed zijn op wat wij aan informatie voorgeschoteld krijgen; dat er in medialand als gevolg van het hiervoor genoemde een neiging tot het behagen van de massa te bespeuren valt, maar dat dit allerminst wenselijk is. Een dag waarop de verspreiding van informatie via de diverse media centraal wordt gesteld, leent zich derhalve uitermate voor het opnieuw aanwakkeren van de discussie over, en een duidelijke positiebepaling van juist diegenen die ons wereldbeeld (mede)bepalen.

Niettemin is het voorlopig nog even wachten op de roekeloze enkeling die op durft te staan om in woord en gedachte, in doen en laten te demonstreren dat het wel degelijk (succesvol) anders kan; die de diepere lagen onder de boom der kennis weet te voeden met de in hemzelf rijkelijk aanwezig zijnde godennectar, opdat de takken weer frisgroene bladeren en ten langen leste rijkelijk vrucht zullen dragen.

 

M.J.C.A. Geplaatst op 20-12-2005