RELNICHTEN, HUN IDOLEN EN DE HETEROSEKSUELE MAN


Een ijskoude noordenwind jaagt door de enge straten van de winterrijke stad. Het is zondagmiddag. Om volledig te blijven: het is koopzondagmiddag. Er zal een dag komen waarop de voor-iedereen-vrije zondag voorgoed uit ons geheugen zal zijn gebrand. Net zoals de sigaret – daartoe aangespoord door een onverwachte windswending – de topjes van middel- en wijsvinger met een branderig geurtje van roze opperhuid ontdoet. Er zal een dag komen dat ik de pijn niet meer voel en dat ik ervan overtuigd ben dat die twee vingers mijn hele leven al zo’n ziekelijk geel kleurtje hebben gehad; dat ik ermee geboren ben. Maar nu voel ik het bijtende vuurstompje wel degelijk en ik vloek volmondig. Enige voorbijgangers (in het totale gedrang der meute toch maar gering in aantal) kijken mij verbaasd of afkeurend na. Ik kan me daar niet drukker om maken dan een strontvlieg in een weide vol verse paardenvijgen.

Mijn vriendin D., echter, is een andere mening toegedaan (en is dus klaarblijkelijk geen strontvlieg, doch een verfijnder wezentje; een drosofila huppeldepup, of hoe je een fruitvliegje ook al weer op chique wijze pleegt te noemen). Zij vermaant me ernstig, verzoekt me dwingend – daar is ze erg goed in – andersoortig taalgebruik te bezigen en, wanneer ik daar in situaties als deze niet toe in staat ben, benadrukt dat ik die gore gewoonte van het wegdampen van pakken shag toch maar eens dien af te leren; ik ruik zeer zeker al niet te fris meer uit mijn bek... Over fijnzinnig gesproken!

Aangezien ik deze discussie het liefst zou ontwijken – evenals de stevige stappers die immer dwars tegen het flanerende publiek in lijken te willen lopen – ben ik maar wat blij als D. voorstelt om naar de film te gaan. Immers, dan heb ik toch nog het gevoel mijn tijd nuttig te besteden. Helaas blijkt uit de filmladder dat er, afgezien van enkele chick-flicks en verscheidene overgeproduceerde melodrama’s, geen ene ruk in de stedelijke bioscopen draait. Ik stel voor om dan maar naar huis te gaan (niet alvorens ons duchtig bezondigd te hebben aan een flinke berg fast-food bij de keten die als logo mijn eerste initiaal voert, dus in mijn optiek voor mij speciaal in het leven lijkt te zijn geroepen) om op dan wel in bed naar een van onze DVD’s te kijken. Zij biecht me op dat ze alle te genieten exemplaren heeft uitgeleend en van Dirty Dancing of de een-of-andere Bullock-draak wens ik verschoond te blijven, dus zelfs dat feest kan geen doorgang vinden. We besluiten eensgezind om als laatste strohalm de regionale ‘feestdag’ aan te grijpen ter verwerving van een gloednieuw, glimmend schijfje. Toch kriebelt genoemde strohalm dusdanig tussen maag en middenrif, dat ik het niet na kan laten – al is het maar omdat ik het ergste vrees en in een ledig uur met even ledige handen (ogen, twinkelende hersencellen) kom te zitten – angstig te piepen: “je zei alle DVD’s... toch niet die van Kylie?”

Het is er uit voor ik er erg in heb, maar ik weet nu al hoe laat het is: er zal een met slangentong uitgesproken tirade volgen op mijn eigenaardige smaak waar het muziekvideo’s betreft; of sterker nog, op al mijn ‘rare’ trekjes. Natuurlijk wordt mijn vermoeden werkelijkheid. “Verdomme, natuurlijk niet! Wie zou die bagger van jou nou willen bekijken. Ik schaam me al de ogen uit m’n kop dat wij die nichtenmuziek van jou in huis hebben. Welke vent kan er nu een paar uur naar die Cher-shit kijken, waarmee jij zoveel van je tijd verdrijft? Welke kerel wordt er nou vrolijk van Nina Hagen? Om nog maar te zwijgen van de Kylie Minogue-manie die jou de laatste tijd in haar greep heeft. Als ik het tegen J. zeg, laat ze je vast nooit meer binnen bij haar thuis. Ik snap er geen zak van: als ik niet beter wist zou ik zweren dat je homo was; nu ben je eigenlijk niet veel meer dan een mannelijke lesbienne!” Ik had het zien aankomen en enigszins benepen breng ik uit: “maar ik kijk toch ook naar The Doors, U2, InXs en The Rolling Stones?” Maar als ik er dan nog eens goed over nadenk, besef ik eigenlijk ook wel dat de frequentie waarmee die in de lade van het apparaat geschoven worden een stuk lager ligt.

Wanneer D. dan ook nog eens te kennen geeft een kledingzaak van binnen te willen bezichtigen, druip ik getergd en met de staart tussen de benen af om in een nabijgelegen antiquariaat op zoek te gaan naar de door mij zozeer verlangde Brieven aan Milena van Kafka. Natuurlijk vind ik ze niet: de weinige exemplaren die daarvan in de Nederlandse vertaling in omloop zijn, zijn in het bezit van de Kafka-exegeten. Eénmaal heb ik ze in handen gehad, maar achtte ze toen te duur. Nu zou ik er, zonder erover na te hoeven denken, zo het dubbele voor neertellen; maar dat is slechts gezanik achteraf. Teleurgesteld schuifel ik tussen de schappen door. Dan begint de wonde die ik zo-even in het verbale duel door die venijnige dolkstoot van D. heb opgelopen weer te jeuken. Waarom mag ik mij niet verlustigen aan wat ik mooi vind? Ik geef ruiterlijk toe dat ik Cher, zowel als Kylie meer dan prachtige vrouwen vind, al dient daarbij vermeld te worden dat die voorliefde voor Cher naar het perverse neigt; maar toch! Bovendien, zo bemerk ik, zijn het alleen de vrouwen in mijn omgeving die zich storen aan voornoemde dames; mijn vrienden of mijn broer lijken daar geen last van te hebben en menig man zal vooral de jongste van de twee diva’s zeker kunnen waarderen. Daarnaast hebben de dames-critici geen enkele moeite met het accepteren van de schoonheid van artiestes die een andersoortig publiek trekken; ik noem een Beyonce of desnoods Madonna. Dan valt het muntje: verlustigen (als het daar werkelijk om draait), vrouwen met een partner die dergelijke artiestes afkeuren gecombineerd met het andersoortige publiek (lees: de homoseksuele medemens); twee plus een is drie... de som is rond.

Mijn theorie is de volgende: normaal gesproken is een artiest volledig onbereikbaar. Hoeveel mensen er ook mogen azen op beroemdheden, in principe maken ze – vanzelfsprekend – geen schijn van kans. De roem ligt dusdanig ver van de gewone burger, en is bovendien door een hoog opgetrokken traliewerk van goud omgeven, dat deze – die deze roem toch zelf creëert – al die grandeur slechts tot op grote afstand vermag te naderen. Bovendien worden sterren bezien door het eerder genoemde gulden raster en levert dat een zwaar vertekend beeld op. Alle mogelijkheden zijn hiermee nagenoeg uitgesloten; de kat kan niet bij de kanarie. De grote gedachtekronkel die mijn schrijnende geval zou kunnen verklaren is deze: aangezien de twee aangehaalde zangeressen voor een groot deel een homoseksueel publiek trekken, maakt hen tot mogelijke bedreiging (beide vrouwen zijn bij mijn weten ‘straight’), waar die tientallen andere supersterren door de massa onschadelijk worden gemaakt. Ik noem het een gedachtekronkel, daar het bij het ontbreken van een stevige kooi nog altijd tot de verworvenheden van de kanarie behoort dat zij op kan vliegen. Ieder redelijk denkend wezen begrijpt dat zij dit niet na zal laten. Vanuit grote hoogte bezingt en beziet zij de kat en ze zal het niet dulden dat deze een stap nader komt. De praktijk wijst het uit; iedereen weet het en toch blijft er schijnbaar iets in het achterhoofd meespelen.

Zeer verheugd over mijn inwendige uiteenzetting en de conclusies die daaruit voortgekomen zijn, wandel ik de winkel uit (ik dank de wereld voor het bestaan van antiquariaten: mijn gedachten lijken er zoveel gemakkelijker te stromen). In de tegenoverliggende platenwinkel struin ik de bakken af en merk op dat Kylie’s Fever-album (de limited bonus edition) flink afgeprijsd in de schappen ligt. Er tekent zich een brede grijns af op mijn gezicht; ik voel het. Zodra mijn geld weer binnenkomt (en dat is deze week nog) ga ik me die zeker ende vast aanschaffen. Daarvan ga ik mijn vriendin natuurlijk niet op de hoogte stellen... stel je voor! Die merkt het vanzelf wel wanneer de muziek uit de speakers schalt. Nee, met een vrolijk gevoel loop ik richting de modegigant waar ik D. al in de deuropening zie staan. Luchtig vraag ik haar: “en, iets gevonden?” “Nee, helaas hadden ze niets.” “Bij mij van hetzelfde laken geen pak: Kafka hadden ze ook niet!” Elkaar verwarmend wandelen we gearmd richting station. Naar zo’n digitaal videoschijfje hebben we niet meer gezocht.

M.J.C.A. 09-03-2004