WINTERWENDE


Niet zomaar een zondagochtend op een van de kortste dagen die het jaar rijk is. Het vroege uur hangt als een zachtzwarte kom verwachtingsvol boven het Nieuwe Diep. Hoog in de lucht nestelt de krachtige maan zich stralend in de rechterhoek van twee ijlings in de lucht getrokken strepen.

Wie in noordwestelijke richting over de Westelijke Merwedekanaaldijk aan komt lopen, heeft vanwege het beperkte zicht de welhaast mystieke ervaring over water te wandelen. Helemaal nu de nachtvorst een dun laagje ijs over de smalle asfaltstrook gestrooid heeft en het wegdek zich zowel voor als achter je als een glimmend gladde spiegel uitstrekt. Tussen het Flevopark ter linkerzijde en de Diemerzeedijk aan je rechterhand spant zich een vlies dat je zilverglanzend in zijn golvende betovering meesleept. Een heldere groene lichtstraal, afkomstig van een boei, scheert als een zoeklicht over de vlakte. Zodra ze je gevonden heeft is er geen weg meer terug. Ze begeleidt je bij iedere stap die je vanaf dat moment zet.

In de verte verrijst, tussen twee zuilen van baksteen, de eerste boog van de Schellingwouderbrug. Sinds het einde van de jaren vijftig overspant deze, als een magische halve cirkel, de kloof tussen het vaste land en dat wat aan gene zijde ligt. Haar ribben lopen als fijngestemde snaren over het lichaam. Gelijk een instrument waarmee zij uit alle macht het winterlandschap bespeelt: een lier, een sitar, een harp, of om het even welke klanken je het beste bij deze tijd van het jaar vindt passen.

Eigenlijk verdraagt dit gewijde toneel geen andere toeschouwers dan de slaperige ogen van Leda’s zusters. De goddelijke ganzen die, als waren zij moe van een enerverende zomer, in een gesloten kring liggen te doezelen. Zij zijn het die je doen beseffen dat je een wereld betreedt waarop je weliswaar een vluchtige blik mag werpen, maar waarin je je maar beter niet langer dan strikt noodzakelijk is moet begeven. Eén verkeerde beweging, één verkeerd woord kan de rust al verstoren.

Een verstandig mens telt hier zijn zegeningen en verlaat de waterkant om vervolgens op weg naar huis in bespiegelende mijmerij te verzinken. Over een pad van glanzend rode stenen schuifel je voorzichtig onder het logge, met klinknagels bezette lichaam van de stalen reuzin door. Geen auto nog die haar gewelfde heup beroert.

Een scherpe bocht naar links voert je over de Flevoparkweg richting de bewoonde wereld. Aan de ene kant passeer je een opvallende rij met hout afgewerkte huizen. Aan de andere zie je, als je goed je best doet, in de verte het Parkbad. Daarvoor ligt nog een van rails doortrokken vlakte waar het normaalgesproken een komen en gaan is van trams. Nu echter oogt het er, die ene lege huls met onbestemde benummering uitgezonderd, tamelijk desolaat.

Niet veel later sta je op het kruispunt waar de Zuiderzeeweg overgaat in de Insulindeweg. Aan de overkant zingt het riet dat op de voormalige begraafplaats groeit op sonore toon een vergeten lied. Waar het op warmere dagen aan de voet van het park gewoonlijk wemelt van de dolende zielen is het nu uitgestorven. De stadsreinigingsdienst heeft er zelfs korte metten gemaakt met de tekenen van leven die de verdwaalden daar plegen achter te laten.

Dan wordt de lucht langzaamaan bezet met vele schakeringen rood en breekt een eerste lichtstraal de hegemonie van de somber stemmende staande stenen: de zon komt op boven de gevels in de verte...


M.J.C.A. 21-12-2005