STORMVOGELS


storm.vo.gel < de ~ (m.); ~s > 0.1 zwemvogel met zeer lange vleugels < Procellariiformis >

Hoogvliegers zijn niet zelden hoogdravers. De thermiek ten volle benuttend, drijvend op een eindeloze hoeveelheid golfstromen; luchtwervelingen; drukverschillen. Warmer, kouder, en altijd maar dat onvergelijkbare vogelperspectief. Voor de mens onvoorstelbaar. Voor de vogel gewoon. De vogels die normaliter het luchtruim boven Zeeburg bestrijken; zij het kapmeeuw, zilvermeeuw, of stadsduif. Niet voor hem, de trotseerder der rukwinden. Snaveldier uit het geslacht der Procellariiformes, oftewel stormvogelachtigen. Over het algemeen beweegt hij zich boven zee, of op zijn minst langs het kustgebied. Regelmatig waant hij zich een albatros en volgt hij schip en schipper. Waar hij zich waagt dansen de zeilen, stuift het zand of rilt het helmgras. Hij zou eindeloos kunnen verhalen over zijn avonturen. Zingen bij stemme van de meest vermaarde dichters.

Maar ook de man in de straat strekt hem tot voorbeeld. Rijk taalgebruik, afgewisseld met de meest inventieve vondsten. Communicatieve hoogstandjes doorspekt met emotie. Het gevleugelde dier bedient zich net zo lief van gelardeerde volkscultuur als hooggeleerde taalstructuur. Het houdt hem levend. Houdt de taal levend. Het is dus niet verwonderlijk dat hij ook wel eens wil afdalen tot het hoofdstedelijke niveau.

Een kakofonie van gutturale keelklanken dijt op honderd meter hoogte in alle richtingen uit. Het is een winderige wintermiddag in één der laatste januariweken. Meegevoerd op gestileerde stromingen klinkt het geluid zeer schril en snijdt ‘t als glazen messen door de drie met het oog waarneembare dimensies: ijselijk, scherp en rusteloos. De Valentijnkade lijkt op het eerste gezicht verlaten. Hoog in de lucht klonteren witte lichamen samen. Proppen watten die individueel van elkaar bewegen. Niet van elkaar te onderscheiden duiken de vogels op en onder elkaar. Bleke schaduwen werpend over de vaste kern van de zwerm. Wie er zijn blik op laat rusten en voor dergelijke ervaringen openstaat zou er een roterende mandala in kunnen ontdekken. Wie geestelijke verruiming zoekt wellicht een psychedelische ervaring. Een vogelliefhebber zou aan de aanwezigheid van zijn gevleugelde vrienden al voldoende hebben. De feitelijke, lijfelijke aanwezigheid van al wat zweeft en zwermt zijn voor hem voldoende bewijs van de rijkdom der natuur.

Rijkdom die zich geenszins in materiële vorm uit, maar des te meer de geest doorboort en zich met weerhaken vastzet in ‘t resonerend schedeldak. Mens en dier ontkomen niet aan de overweldigende indruk die de buitenwereld, bestaande uit stedenbouwkundig beleid en huiveringwekkend schone natuur, op hen uitoefent. Zelfs de postbesteller, zich verdiepend in de gecodeerde taal van postcodes en ambtsvoorschriften, parkeert zijn bestelwagentje even langs de kant van de weg en onderwerpt zich vrijwillig aan de alomtegenwoordige dwang van een onvermoed environmentaal totaalgeweld.

Niet geheel in tegenspraak met de verwachtingen zijn er op dit vroege middaguur slechts weinigen om dit bovenzinnelijke schouwspel gade te slaan. Enkel het objectieve oog van de waarnemer die registreert en onbewogen opgaat in het geheel. Op moet gaan om één te worden met het gebeuren. Als de verslaggever die niet mag ingrijpen in ‘t strijdtoneel, teneinde de door het lot bestemde, door het fatum vastgelegde gang van zaken niet te verstoren. Als dat al objectief mag heten, dan komt het doordat hij uiterlijk onbewogen is. Van binnen bonkt zijn hart en bruist zijn bloed. Een spanning die hij voelt tot in zijn slapen. Dat te kunnen uitschakelen. Hier, op dit moment. Al is het ook maar even. Wanneer hij daarin slagen zal, is zijn onderneming eerst een succes te noemen. Het succes van de eenling die zichzelf wegcijfert. De eenling die opgaat in het hier en nu. Het bestaan rechtvaardigt van het ongeziene. Alleen zo kan bij benadering de stelling weerlegd worden dat wat niet waargenomen werd nooit werkelijk heeft plaatsgevonden.

Een onverwachte noodweer maakt zijn opwachting. Deze donderdag dreunt zijn mokerslagen tegen gevels en losstaande lichamen. Gedreven door instinct stijgen de wit-, zwart- en grijsgevederden op naar plekken waar de aanhoudende stoten zo min mogelijk vat op hen hebben. De ganzen op het water groeperen zich en zoeken haastig naar een plek waar het bonkende natuurgeweld hen zoveel mogelijk ontziet. Alleen de stormvogel, de vreemde eend met een ‘bite’ trekt – welhaast treiterend – nog enige strakke banen. Alsof hij zeggen wil: ik mag hier dan wel niet helemaal thuis zijn, aan de omstandigheden weet ik mij moeiteloos aan te passen.

Onder de spoortunnel bij de Oosterringdijk komt opeens een fietser aangereden. Gedrapeerd in meerdere lagen shawls en andere windsels is deze persoon nauwelijks als mens herkenbaar. Het is de handeling van het bewegen der pedalen dat uitsluitsel geeft. Achterop zit een kind dat vergelijkbaar goed ingepakt is. Heel ver rijden ze niet door. Bij de halve ellips die als loopbrug een verbinding slaat tussen ringdijk en kade houden ze halt. De moeder haalt een goedgevulde plastic zak tevoorschijn, waarin brood zit dat voor menselijke consumptie niet langer geschikt is. Goede bedoelingen stranden echter in de totale afwezigheid van gevogelte. Eendjes voeren op een dag als deze verdient geen aanbeveling. De stadse veelvraat kan soms genadeloos hard zijn. Niettemin maakt één dier aanstalten zich op het in de vaart gestrooide kruimelwerk te storten. Deze weet de voedselvoorrziening voor al dan wel niet tijdelijk ontheemden op juiste waarde te schatten.


M.J.C.A. 22-01-2007