FUTURUM

Wat ons zo allemaal niet toekomt in onze vrije tijd... Na nog enkele noodzakelijke klusjes afgehandeld te hebben, besloot ik mijzelf te trakteren op een bezoekje aan het Concertgebouw.

Zoals te doen gebruikelijk wordt hier op woensdag rond het middaguur een gratis lunchconcert gegeven. Wie de Nederlandse mentaliteit een beetje kent, zal begrijpen dat het er altijd afgeladen druk is. Zo ook vandaag. De Kleine Zaal was van podium tot pilaar en van zitje tot zetel bezet met liefhebbers van het genre.

Hoewel ik ruim voor aanvangstijd aanwezig was, moest ik toch nog enige moeite doen om een plekje op de zevende rij van deze hemel te bemachtigen. Als gevolg van een veelvoud aan welwillende worstelingen op de vierkante centimeter leek het me verstandig op de dichtstbijzijnde vacante fauteuil plaats te nemen. Naast me zat een dame waarvan ik de leeftijd zo tussen de tachtig en negentig jaar zou willen schatten. Verpakt in een dikke winterjas, een serie shawls en een warme muts keek ze olijk de ruimte in. Alsof ze duidelijk wilde maken dat de tijd haar alsnog gelijk had gegeven. Het leek me een aangename gedachte.

Een gedachte ook die in mijn onderbewustzijn bleef circuleren terwijl viool- en klavecimbelklanken de ruimte met hun curieuze samenspel overspoelden. Af en toe keek ik eens naast me en zag dan de gerimpelde stadsvorstin twee van huis meegenomen kussentjes telkens maar weer herschikken. Haar gekromde rug kreeg ze maar niet in de juiste positie gewrongen. Machteloos, maar geenszins van plan zich erbij neer te leggen, deed ze haar uiterste best de muzikale inspanningen van de twee instrumentalisten ten volle te genieten. Toen ik er achteraf navraag naar deed, bleek ze daar alleszins in geslaagd te zijn. Mijn bewondering voor haar flexibiliteit steeg uit tot ver boven de hoogste toonsoort denkbaar.

Met de mijmerende melodieën van Bach en Veracini nog naresonerend onder mijn deinende schedeldak verliet ik het pand. Buiten lag de vrieskou als een laag isolerend materiaal over de stad. Het leek wel alsof een totale verstilling haar overvallen had. De ijzige wind sneed geruisloos door kleuren en kleren heen. Het Museumplein oogde alsof het gefotografeerd was met een melkwitversterkend filter. De trams gleden weliswaar snerpend over hun door de temperatuur strakgetrokken rails, maar het geluid dat ze daarbij voortbrachten had slechts een zeer minieme reikwijdte. Een kinderklas die over de Van Baerlestraat aan kwam drentelen produceerde slechts een fractie van het aantal decibellen dat zij normaal in staat zou zijn voort te brengen. Passerende auto’s hielden in verband met mogelijke gladheid hun snelheid laag en baasjes met hun honden zagen er vandaag geen belegd brood in hun trouwe viervoeters luidruchtig tot de orde te roepen.

Overweldigd door de ongebruikelijke rust op deze doorgaans zo tumultueuze toendra besteeg ik mijn stalen ‘stallion’ en peddelde richting het centrum. Na gedane zaken nam ik een keer en bedacht in een opwelling dat het misschien wel aardig zou zijn om een alternatieve route huiswaarts te nemen. Ik passeerde het Centraal Station aan de rechterzijde, sloeg af achter het Scheepvaartmuseum en via de Kattenburgerstraat kwam ik uiteindelijk terecht op de Piet Heinkade. Hier en daar passeerde ik een over het stuur gebogen collega-fietser, maar uit de verbeten blikken waarmee zij het tempo hoog probeerden te houden meende ik op te mogen maken dat zij deze diepgevroren Route du Soleil niet op eenzelfde waarde wisten te schatten.

In de verte zag ik reeds de hypermoderne staaltjes van gestolde visuele muzikaliteit aan de voet van het KNSM-eiland. Deze bouwkundige meesterwerkjes die ik liefkozend onder de veelzeggende noemer computerbak-architectuur pleeg te scharen, hebben inmiddels overal in den lande navolging gekregen en gelden als symbolen van de moderne tijd. Hoewel aartskankeraars te allen tijde iets tegen dergelijke noviteiten in te brengen zullen hebben en de hoeders van de goede smaak onder hen hun argumenten kracht zullen bijzetten door op te merken dat dé nationale campingzender hierin zijn hoofdkwartier heeft, ben ik van mening dat dergelijke, in opzichtig tenue gehesen gebouwen een verrijking zijn voor het uniforme landschap, alsook een fraaie toegangspoort vormen tot het stijlgevoelige stadsdeel Zeeburg.

Met enige stelligheid zou ik zelfs durven beweren dat de tijd ook deze bouwmeesters gelijk gaat geven. Maar hoe geloofwaardig klinkt zo’n boude bewering uit de mond van iemand die ooit een soortgelijke toekomst voor de, toen nog maar net voltooide, Bijlmerflats voorspelde?

M.J.C.A. 01-01-2006