DE HIATEN IN DE HERINNERING DER DOORSNEETYPES


Vlasblonde haren die met eensgelijke borstel bewerkt lijken te zijn; maar hetgeen je pas tien jaar later op een oude foto bemerkt. Een televisiepresentatrice die bij een herhalingsuitzending van een hilarisch fragment niet alleen verschrikkelijk slecht haar vak blijkt te verstaan, maar – tot overmaat van ramp – een zodanig gebit bezat (wellicht heeft ze het inmiddels via de allernieuwste blekingstechnieken laten ‘whitenen’) dat haar uiterst pokdalige huid erbij in het niet viel. Helaas (of gelukkig) valt niet meer te controleren of de tand des tijds welgezind, dan wel slopend ten opzichte van haar is geweest.

Het fenomeen dat jongeren (variërend in het moment waarop de hormonen ras door hun, meer of minder puisterige, slungelige lijven beginnen te spartelen) tussen de tien en vijftien jaar een nogal vreemde vorm van idolatrie ten toon spreiden, is volgens mij een kwestie van alle tijden; niettegenstaande het feit dat zowel de gedrukte pers, film en later de televisie aan de verspreiding van deze vervreemdende cultus hebben bijgedragen (ofschoon er in de loop der eeuwen prachtige schilderijen en formidabele beeldhouwwerken heeft geleid, acht ik het vrij onwaarschijnlijk dat die op mondiaal niveau dezelfde hysterie veroorzaakt hebben, als de moderne media die heden ten dage in het leven hebben geroepen).

Ik vrees dan ook met vrolijke vreze hoe de massale verdwazing tien jaar na de eerste internet-hausse als een dolwaas digitaal spinnenweb om zich heen zal grijpen. En geloof me... die tijd is nabij! Zo tussen 2005 en 2006 zullen alle internetjunkies verplicht een maand ziekteverlof moeten nemen – mits ze tegen die tijd wel een echte baan hebben! Deze groep, die sowieso al koploper is in het uitvinden van nieuwe ziektes (RSI, burn-out) zal zich voor éénmaal geen raad weten met hun woeste wanhoop. Laat het dan een troost voor ze zijn dat genoemde kwaal hier reeds grondig beschreven werd en dat de grootse verwarring slechts gevoed wordt door het enorme informatie-aanbod. En voor de sadisten onder hen: de mensen die opgroei(d)en in de tijd van het mobiel verkeer zullen, schudden en sidderen wanneer hun binnenste door het tikken van de digitale klok vakkundig ontleed wordt. (“Nu, de nieuwste logo’s op jouw mobiel”; “Jong Zuid, je dagelijkse portie tele-soap”).

Ach wellicht ben ik hierin te negatief, maar zoals de weinige (zie je wel) lezers van mijn columns zullen weten, probeer ik me reeds een tijdje te profileren als regelrechte cultuurpessimist. En wat die mobielmannetjes betreft: met hen zal het allemaal wel loslopen; hoeveel beeldinformatie krijg je nu op zo’n ding binnen (ik weet dat tegenwoordig al die apparaatjes een ingebouwde camera hebben, maar toch... of juist daardoor: denk je een heleboel goed-uitziende vrienden te hebben, ontdek je tijdens een zeer-lang-uitgestelde gezamenlijke afspraak dat je een afzichtelijke vriendenclub hebt opgebouwd)? Desalniettemin vrees ik niet dat zij heftige aanvallen zullen krijgen als gevolg van het herinneringssyndroom: eerder zullen zij gezwellen in hun hersenen ontwikkelen, of op zijn minst concentratiestoornissen, al is het bij ‘dit soort volk’ nooit met zekerheid vast te stellen of het door de GSM’s komt.

Dit alles o.a. naar aanleiding van de vorige-week-uigezonden aflevering van het televisieprogramma Zomergasten, alwaar de cabaretier Theo Maassen te gast was en waar een televisiefragment getoond werd dat zowel tenenkrommend, lachwekkend, als herinneringsvernietigend bleek. Voor de goede orde: mijnheer Maassen verkondigde dat hij aan dit liedje – maar met name aan het zangeresje – bijzonder goede herinneringen bewaarde. Wellicht stond hij toentertijd onder invloed van niet-nader-gespecificeerde duistere machten, want wat we na het verschijnen van het Top-Pop-logo in beeld kregen was werkelijk het toppunt van wansmaak. Hierbij geef ik een korte omschrijving: het zangeresje in kwestie heette Luise Fernandez; het liedje dat ze zong heette ‘Give Love A Second Chance’. Tot zover was er nog niets aan de hand, maar even later barstte de hel los – dat wil zeggen één seconde later: Luise was niet alleen piepjong en evenmin echt knap te noemen; ze playbackte als een doofstomme en maakte daarbij de danspasjes van een spastische clown; daarnaast was het nummer afgrijselijk en zou ik gaarne verlangen dat het mijn trommelvliezen nooit-of-te-nimmer meer beroert. Af en toe kreeg je een shot van Theo’s reactie op het vertoon te zien – hij had voor de gelegenheid, alsof hij eraan twijfelde dat ze naar het juiste fragment zaten te kijken, een brilletje opgezet – en aan het einde leek het wel alsof er spoedig een traan over zijn ongeschoren wang zou biggelen. Arme man... gebroken leek hij! Een jeugdillusie armer en een miskleun rijker gaf hij nog even in eigen bewoordingen passend commentaar: “Heb ik me daar nou vier jaar lang op liggen afrukken!” Even, heel even maar had ik met hem te doen, maar toen kwamen de volgende beelden alweer en ging het programma verder. Ik kan niet echt zeggen dat het voorval me de dag erna nog werkelijk bezig gehouden heeft.

Wat is er toch de oorzaak van dat jongetjes in hun prepuberteit dusdanige bizarre keuzes maken in de toekenning van het predikaat ‘ideale, perfecte vrouw’, met alle eigenschappen die deze wezens in werkelijkheid naar alle waarschijnlijkheid niet bezitten. Kijk, in het geval van de ‘hunk van de school’ is het eenvoudig: je rotzooit aan wat er aan te rotzooien valt, de mooiste meiden zijn voor jou en zelf bewonder je een vrouw als – laten we zeggen – Pamela Andersson. Niet meer dan logisch, zoiets noemen we natuurlijke selectie en wie hier tegenin gaat verzwakt de menselijke soort (hier overdrijf ik schromelijk, maar zoals zal blijken, dient dit de goede zaak.) Van hetzelfde laken een pak als je uitgesproken lelijk bent: je koestert geen enkele hoop op een scharrel, zelfs de lelijkste meiden gunnen je geen blik waardig en je droomt van een toekomstige vrouw die veel weg heeft van Roseanne Barr – minus het geld dat deze bezit. Je geeft het op en besluit je terug te trekken uit deze boze buitenwereld: je wordt computernerd (maar dan wel zo’n echte, die tot zijn veertigste thuis blijft wonen en zijn kamer nooit verlaat! Het zijn echter de doorsneetypes, niet bijzonder aantrekkelijk, niet lelijk; niet bijzonder sociaal, niet uitgekotst; niet behoorlijk snugger, maar zeker ook niet dom – en het moge duidelijk zijn dat zij veruit de grootste groep vertegenwoordigen (zo’n 70 tot 80 procent, schat ik) – die in de problemen komen bij het oprichten van een heiligenbeeld voor 'de vrouw'. Voor hen bestaan geen richtlijnen waarnaar ze zich schikken kunnen, of te schikken hebben. En het is een publiek geheim dat het ontbreken van vastomlijnde procedures waar het de manier van handelen (ook in de liefde en idolatrie) betreft tot een algehele onzekerheid leidt binnen het individu. Op school nemen ze genoegen met de minder mooie klasgenotes; vriendinnetjes krijgen ze wel, maar dat is eerder aan ’t toeval, dan aan uitmuntende versiertechnieken te danken. In de bioscoop steken ze hun bewondering voor de schoonheid van doorsnee-actrices wel onder stoelen en banken en op de televisie smachten ze bij de aanblik van types die lijken op Ankie van Grunsven, of Sita.

Derhalve begrijp ik de grootse vergissing van Maassen wel, maar snap niet waarom wij daar als grote groep niet massaal tegen gaan revolteren; en al snap ik dat laatste toch ook weer wel – tegen wie zouden we moeten revolteren? – waarom verzinnen we niet iets anders dan ‘Make Me Beautiful’ of het doorlopen van een glanzende carrière, waarbij schoonheid, succes en geld de enige middelen zijn om eerder omschreven negatieve spiraal te doorbreken? Wie denkt mij van inconsequentie te kunnen beschuldigen, daar ik beweerde er na betreffende uitzending in mijn gedachten niet meer mee gespeeld te hebben, moet ik teleurstellen. Deze alinea is nog vers en pas de afgelopen twee dagen uit de diepste lagen van mijn geest tot grote (maar chaotische) hoogten gestegen. Dit stuk is namelijk bedoeld om de mannen die het hier betreft te mobiliseren, en dat gaat het best in het heetst van de strijd – niet wanneer deze reeds bijna afgelopen is! Een vermakelijke, persoonlijke anekdote is een goede opener of afsluiter, maar de waarheid ligt in het midden en de kern zeker!

Exact een week na de reeds aangehaalde uitzending van Zomergasten kwam het verlangen naar besef waar ik mezelf bevond in deze door mij persoonlijk opgestarte discussie. Die middag zat ik zieligjes naar mijn televisiescherm te kijken en vernam – mede dankzij mijn defecte afstandbediening – welhaast bij toeval, dat de publieke omroep op het tweede net damesturnen toonde. Wie dacht dat ik van de bank opsprong om manueel over te schakelen op een ander net heeft het mis; tijdens de Spelen te Barcelona in 1992 heb ik het damesturnen van begin tot eind gevolgd en er geen seconde van gemist, hetgeen bij de andere spelen in gespiegelde zin het geval was. Edoch, tijdens het aanschouwen van zoveel sierlijkheid, gratie, behendigheid en kracht, bemerkte ik dat de turnsters van vandaag niet meer de tienerpoppetjes zijn die het in die tijd waren. Deelneemsters op verschillende onderdelen haalden gewoon de leeftijd tussen de twintig en vijfentwintig, al had je er ook nog gewoon tienertjes bij. Jawel, toen ik plusminus een half uur de beeldbuis aan had, werd ik bevangen door de alomtegenwoordige angst die de vermaaksspecialist moet hebben gevoeld. Ik kan me herinneren dat ik éénmaal in mijn hele leven werkelijk idolaat van iemand ben geweest. Zo’n fanaat dat ik uit mijn blote hoofd nog enkele persoonlijke gegevens van haar kan opnoemen. Henriëtta Onodi, geboren op 22 mei 1974 te Bekescsaba (Hongarije), gouden medaille op ’t paard en zilveren medaille in de vrije grondoefening. Bijkomend voordeel, ze was twee jaar ouder dan ik. Keer op keer bestookte ik haar fanclub – een turnster met een fanclub, nogal overdreven natuurlijk, maar ze scheen in eigen land een grote ster te zijn – met verzoeken om meer details aangaande de dame in kwestie; of ik haar postadres kon krijgen e.d. Ik onnozele! Zeer schaamtevol is de herinnering dat ik gewapend met camera en een speciaal voor de gelegenheid aangeschaft rolletje, foto’s van haar schoot terwijl zij in actie kwam – dewelke vanzelfsprekend jammerlijk mislukten vanwege de reflectie van de flits op het beeldscherm.

Uiteindelijk was er een medewerk(st)er van de fanclub zo goed me een gesigneerd foto van mijn heldin toe te sturen; waarschijnlijk meer om van mijn brievenstroom af te zijn, dan omdat ze werkelijk zo’n zin had me dat ene plaatje toe te zenden (de brief was in een nogal vreemdsoortig Engels opgesteld en getuigde van weinig enthousiasme). Niettemin heb ik het plaatje nog enige maanden gekoesterd – zonder er mijn seksuele fantasieën op bot te vieren, gelijk Theo – totdat de meisjes om me heen (niet in drommen, maar toch) persoonlijk aandacht aan me gingen besteden. En dat is toch beter dan een substituut.

Niettemin bevreesd dat ik in dezelfde biologische val getrapt was als menig jongeling op die leeftijd deed en doet, besloot ik op internet wat plaatjes van mijn jeugdheldin te bekijken, en ook ik schrok me de ogen uit mijn kop. Die meid was niet echt de Assepoester op het grote turnbal geweest – hoewel ik haar niet vergeleken heb met collega’s van dat toernooi – maar het meisje van mijn keuze had tenminste op die Luise van de gevierde cabaretier voor dat ze indertijd wel iets gepresteerd heeft; daarnaast trof ik ook kiekjes aan van hoe ze er heden ten dage uitziet, en da’s in mijn ogen de moeite waard. Toch blijft het vreemd dat de doorsneetypes hun visuele ‘jeugdliefdes’ met meer lauwerkransen omhangen, dan ze verdienen en, bovenal, ophemelen totdat ze uitstijgen boven Akropolis, Olympus, ja de hemel zelf.


M.J.C.A. 17-08-2004